Een hoeveelheid klei werd op een vlakke houten tafel dmv een zware koperen rol tot een gelijkmatige dikte gewalst. De tegels werden uit deze platen klei gesneden, waarbij men gebruik maakte van een vierkant plankje, ter grootte van een tegel. In dit plankje of 'mal' zaten aan de onderkant in de hoeken vier of twee spijkertjes om het opstropen van de klei tijdens het snijden te voorkomen. Elk spijkertje veroorzaakte een gaatje in de oppervlakte van de tegel, dat naderhand als een putje in de glazuur te zien was. De natte tegel moest nu drogen en daarna gestookt. Deze eenmaal gebakken tegels noemt men 'biscuit'. Dit biscuit ging naar de 'witgever'. Met een borstel werd het 'wit', een mengsel van glazuur op het biscuit aangebracht. Dikwijls werd er een geringe hoeveelheid glazuur van een andere kleur toegevoegd om 'gebroken' wit te krijgen. Hierna volgt het vastbakken van het glazuur.